"Het Heilige Land van Piet Gerrits (1878-1957)"
Auteur: Jan Willemsen. Te koop via deze website

Muurschildering van Piet Gerrits in Aïn Karim

Handschrift uit de nalatenschap van Pater N. van der Vliet

De bekende kunstenaar de Heer Piet Gerrits, nog altijd vertoevend in 't H. Land, is weer klaar met een meesterwerk. Men zou zeggen dat de sympathieke kunstenaar zijn ervaring, zijn observatie, zijn enthousiasme heeft willen resumeeren (= samenvatten) in dat werk, alvorens voor goed afscheid te nemen van zijn woestijn, zijn bedouinen, zijn oosterhemel, zijn leven met de patriarchen, zijn leven met Christus. De Witte Paters van Jerusalem zijn de gelukkige en dankbare bezitters van die geniale schepping waarmee de Hollandsche artist hun eertijds meer dan eenvoudige kapel in een heiligdom, een juweel van hooge kunst herschapen heeft.

In de laatste creatie van dat mooi talent kan men tastbaar een evolutie waarnemen in zijn nog altijd blijvende liefde voor 't strenge, 't gestyleerde. 't Geheel blijft ernstig als een katakombe, rustig als een woestijn, maar zijn ruim vierjarig leven temidden van zijn bedouinenvolk met zijn patriacale zeden, in dat land van licht en kleuren, dat leven gloeit door heel zijn schepping, 'k durf niet zeggen met pure realisme, dat wil Piet Gerrits niet, maar toch met een objectiviteit zooals nooit verkregen kan worden door een kunstenaar — tourist die zich eenige weken 't Oosten laat rondreizen met een Cook-agent.

De "clou" van dat nieuwe werk is de daarstelling (bedoelt 'de vertolking of de beschrijving) van den tekst van Mattheus: "Als gij niet wordt gelijk een klein kind, zult gij 't rijk de hemelen niet ingaan" De heele compositie van zes meter lang is gewoon delicieus. Links luistert een groep mannen gevormd uit zoowat alle sociasle condities. Ze luisteren aandachtig als het hoort, want wat hun verkondigd wordt is zóó nieuw. De 3 deftige Joden van de eerste rij schijnen gekomen met goede inzichten(=bedoelingen). Ze hebben reeds vertrouwen in den Rabbi, al bruist z'n leer ook recht tegen al hun idees in. De oude schrift-geleerde met z'n rol in de hand, kan zich maar kwalijk overtuigen dat er iets hoogers en beters kan bestaan dan wat hij tot nu toe doceerde; de fijne phariseeër met z'n purperen mantel en gloeperige (= gluiperige) tronie, wil niets geloven maar toch alles weten. Morgen zal hij in zijn "zetel van Moses" in schijnheilge taal den jongen revolutionnaire anathematiseren. De drie laatste bedouins zijn zóó, dat is photographie naar 't leven in de woestijn, typen in de hoogste graad van nauwkeurigheid weergegeven.

De groep jongens op 't eerste plan vinden prachtig wat er geleerd wordt door een voorbijtrekkenden rabbi. Ze luisteren met meer lust dan naar de zwierigste oostersche vertelling. En wat de heele staande groep mooir geëncadreerd door de kameelen die statig voorbij trekken. De drijvers luisteren in 't voorbij gaan even -tjes, maar aandachtig en zullen 't verder vertellen. Daar zit een beweging en 'naturel' in die kameelen en hun berijders zoo als 'k nooit heb kunnen ontdekken in de ontzaggelijke hoeveelheid kemels die hier in Palestina worden gepenseeld; want ieder schilder wil z'n groep kameelen in alle soort genres en posities mee naar Europa terug dragen. James Tissot heeft mooi kameelen geschilderd, maar toch de nuances ontsnappen hem, daarvoor heeft hij niet voldoende geleefd met en onder 't volk. Zijn "marche des rois mages" is best, maar die drie zware beesten met bonkerige poten en breede schoften en nekken als kolommen, zijn geen rijdieren maar massieve lastkamelen die steenera aandragen en koren uit de Hauran (?). Piet Gerrits heeft zelf kameel gereden, hij heeft ze gezadeld en opgetuigd, ze geschtst in hun staan en gaan in de maat van hun pas, in hun liggen, in hun rusten, in 't opladen en 't ontladen. Zijn cahiers wemelen van kameelcroquis en kameeldrijvers. De drapering van die helegroep is in meer sombere toon gehouden die past bij dat ernstig, aandachtig-aanhooren van die ernstige leer. De groenachtige tint in de ombers(?) der koppen tempert weer, wat mis -schien de details van pose en drapering te realistisch hebben en houden alles in decoratieve stijl.

De vrouwengroep van rechts is misschien nog beter dan de mannengroep, de groepering losser, de pose klassieker. In een godsvruchtige fictie waarin de schilder afwijkt van zijn tendens om 't evangelie volgens de letter weer te geven, moedigt de H. Maagd de schare vrouwen aan haar kindertjes Christus aan te bieden. Ze durven nu gerust en als de Meester zoo aanstonds met zijn leering ophoudt, zullen ze nog dichter bij komen, heel godsvruchtig en bescheiden, dat kan men ze aanzien. Mooie oostersche typen allemaal. De middenste matrone sierlijk opgetooid, natuurlijk de vrouw van den cheik (sjeik), is genomen volgens een-basrel ief uit ons bijbelmuseum, een priester van Palmyra. Dat is klassiek puur, echt beeldschoon werk.

Niet minder goed de staande vrouw met lang slepend kleed en zware zwarte sluier, de traditioneele dracht der weduwen. Die twee typen alleen zouden ieder heel goed een schilderij vormen. Behalve de zwarte sluier der weduwe, is alles in lichte frescokleer gehouden, zoo helemaal in de styl. Er leeft in die groep vrouwen onschuldige bescheiden liefde voor de Meester, moederlijke liefde voor har kinder en pieus vertrouwen in de zegen van Jehova's gezant.

En hoe lollig-onschuldig spelen die twee kereltjes tussen de bloemen met hun vogels, de eene heeft hem op de hand, de andere laat hem aan een touwtje vliegen. Ze zijn zich volstrekt niet bewust dat hun lieve onschuld tot model wordt gesteld aan die groote mannen daarnaast en die hun maar weingi kunnen schelen. Ze hebben veel te veel pret met hun vogels. Christus zelf troont zooals 't hoort in 't midden op de mastaba (= bank) van een olijfboom, en zijn handen uitgestrekt naar de schare kinder en vrouwen, 't hoofd sprekend gericht naar de mannengroep brengt eenheid in 't heele tableau. Er zou een heele studie te maken zijn over de details der verdere onderdelen van dat mooie werk. Heel het leven van een oostersch dorp is er weergegeven met een bewondernswaardige observatie geest. Er was laatst een scheik van 't Overjordaanse in onze kapel. Hij kwam niet uitgekeken. Opeens: "Abouna" (aanspreektitel voor een priester), die dat schilderde, heeft onder de bedouinen geleefd. Kijk eens die kleine jahi'ch (ezelsveulen) heeft de beide ooren aan elkaar gebonden; een gewone franji (Europeaan) weet niet dat we dat doen om de ooren van de jonge ezeltjes te dresseeren.

Op den achtergrond een lange streep van 't Moabgebergte met z'n paarlenmoeren transparante kleuren; en om het eentonige van die grote lap blauwe lucht te breken, een grijsgroene olijfboom en een vlucht duiven en zwaluwen. Piet Gerrits heeft daar een stuk monumentale kunst geleverd want niettegenstaande de groote variatie wordt de wand geen schilderij maar blijft een geschilderde muur. Met buitengewoon meesterschap over zijn techniek houdt de artist alles voldoende plat en boort de perspectief geen gat in de muur.

Achter 't altaar is de muur in drieën verdeeld voor een soort triptyque. Middenin, op gouden font (achtergrond) 't groote offer van Calvarie op 't ogenblik dat Christus zegt: "Zie daar uw moeder". Van weerskanten passende tableaux voor 't seminarie, links de roeping der apostelen die vader Zébédé en hun nettren grootmoedig verlaten. Links de primauteit ('t oppergezag) van Petrus, 't groote punt van verdeeldheid tusschen de Katholieken en de schismatieke oostersche Kerk. Deze drie stukken zijn strenger behandeld maar in de details vinden we weer terug den artist die 't oosterleven meegeleefd heeft.en 't door en door is ingedrongen (zich eigen heeft gemaakt, zou ik zeggen — Tom). Over de communiebank welft een boog met witte duiven en gloeiende druiventrossen. Van binnen van weerskanten staan als heilige wachters twee Engelen, heel streng gestyleerd. Wat zijn die daar op hun plaats; ze kunnen er niet gemist worden; serieus, ingetogen, godsvruchtig als de studenten daar komen communiceeren. Toen ik de eerste keer na de voltooing van 't werk met de leerlingen in de kapel was en wat uitleg gaf, merkte er eene op, afkomstig van Mossoul, dicht bij de ruïne van Ninive: "Pater die Engelen lijken juist op de strenge cherubijnen aan de ingang van een assyrisch paleis". "Precies jongen, 't was juist wat de schilder bedoelde". Op de boog zelf heeft de artist een waagstuk aangedurfd. Een schitterende glorieuze Madonna van de eene kant, een austère (sobere) doop van Christus aan de andere. Toen me de Heer Gerrits de eerste keer van dat plan sprak werrd ik er bang van. "Dat brengt u er niet goed (van) af, 't evenwicht gaat er uit en gooit de heele boog uit elkaar' meende ik hem te mogen opmerken. "Laat me maar begaan"werd er geantwoord en we lieten begaan en nu staat daar die fraaie Madonna, misschien de beste groep van't heele werk, met licht blauwe sluier en licht rood kleed, een schitterende koningin,'t Kindje Jesus in fonkelend wit byzantijns gewaad met rijke veelkleurige ceinture en gouden sieraden, en van de andere kant Christus met egaal wit kleed, ernstig, heel onder de indruk van 't moment en Joannes in z'n pij van kemelhaar, somber als de physionomie zelf van de geweldigen prediker. En toch heeft de boog z'n evenwicht niet verloren. Ze staat altijd recht en rotsvast en `k geloof niet dat de strengste crititcus iets zou te bedingen hebben tegen de symetrie van de twee zoo uiteenlopende tafereelen. ----(hier volgen enkele technische(?) termen: Alles is uitgevoerd in caséine en tempera(?) origineele motieven lopen onder 't schilderwerk en die de indruk geven van fijn kapet(?)werk.

Nogmaals Piet Gerrits hier als in de andere kerken van Palestina, levert stukken van hooge kunst en een kunst die altijd zo Katholiek en serieus blijft. Daar is niets oppervlakkigs en licht in dat werk. Hij wil leeren het Evangelie of een ingetogen pieuse atmosfeer brengen over (de='t) godsvruchtige schone in Gods heiligdom. Hij slaagt meesterlijk. Nederland bezit in hem een Katholieke artist van de eerste rang. Men spreekt tegenwoordig van democratische esthetiek, van democratische kunst. Als ik wel snap wat daarmee bedoeld wordt, dan acht ik Piet Gerrits als een voorvechter in die richting: zijn kunst leert aan iedereen die hart en gevoel en godsdienstzin heeft en is niet een gesloten kamp voor een elite. Verleden jaar bezocht ik de tempels van Karnak en Louksor in 't oude Egypte en die onschatbare monumenten van de linker Nijl-oever. Die kunstenaars spraken tot het volk; die esthetiek is litteratuur; die kunst is welsprekendheid; de Egyptische kunstenaars waren artisten, redenaars. Piet Gerrits levert ook gedachte-kunst even goed als de mooiste bas reliefs van Egypte en heeft niets gemeen met die prentenmakerij en zeepdozendekselkunst, waarvan Jerusalem ook eenige brullende producten heeft moeten verduren. Hij wil leeren en z'n leerende gedachten teekent hij scrupuleus nauwkeurig maar in krachtige ferme trekken en smeert er dan breed en zonder kleingeestig gepeuter zijn warme kleuren overheen. Hij vergenoegt zich niet met zoetsappige lieve tintjes over prulaartjes(sic) of een paar plassen verf met theaterdecor effecten en waarvoor sommige mensch -jes zenuwachtig worden van enthousiasme; dat lijkt allemaal als een chiek(=chic) jasje over een strooien ribbenkast(?) in een modewinkel.

Piet Gerrits, ridder van 't H. Graf en verrijkt met 't kruis Pro Ecclesia et Pontifice komt binnenkort terug naar Holland waar hij mijns inziens een roeping te volbrengen heeft in de Katholieke kunst. Het is een talent dat zich niet vergenoegen mag met, na 't heengaan van de architect, de opengelaten plaatsen en plaat¬sjes te decoreeren. Hij moet meewerken met de architect, niets onder en na de architect. Daarvoor is hij berekend, en dan eerst zal zijn kunstleven tot volle ontwikkeling komen. Er zijn de laatste tijd mooie kerken gebouwd in Holland. Piet Gerrits is de man om met brio mee te werken in die nieuwe richting.

Helaas........

"En Octobre 1947, la colonie des jeunes Polonaises qui occupait la maison de campagne de Aïn Karim fut rapatriée. Pendant la guerre-juive de 1948, une troupe de soldats égyptiens y caserna quelques mois. Après leur départ, on vint dire à Ste-Anne qu'une main sacrilège avait détérioré une partie des belles peintures, faites avant la 1 re grande guerre mondiale par le hollardais Piet Gerrits. C'était malheureusement trop vrai".
Ce paragraphe se trouve dans "Séminaire Grec — Melkite, dirigé par les RR.PP. Blancs", par le P. Nicolas DAHBAR, à l'occasion du 75' anniversaire de la fondation, 1882 — 1957, p. 98.

In october 1947 werd de groep Poolse jonge dames die in ons buiten-huis van Aïn Karim vertoefde naar Polen terug gestuurd. Tijdens de Joodse oorlog van 1948 werd daar voor enkele maanden een troep egyptische soldaten gelegerd. Na hun vertrek werd op St-Anne het bericht ontvangen dat een heiligschennende hand een gedeelte van de mooie schilderingen had beschadigd, die Piet Gerrits daar voor de eerste wereldoorlog had aangebracht. Het bleek helaas maar al te waar !
Deze korte paragraaf staat op blz 98 van het boek van P. Nicolas DAHBAR, oudleerling van St-Anne. Het boek werd geschreven n.a.v. het 75 jarig bestaan van het seminarie St-Anne in 1957.